Marc (46 jaar, directeur van Basisschool De Heidevos) ziet  in een vaktijdschrift een cartoon van een overbelaste directeur sjouwend met dossiers i.v.m. zorg, personeel, bouw, innovatie, financiën en nog veel meer. Zo voelt hij zich dus echt, hé. Hoe kunnen ze nu verwachten dat schooldirecteurs op al die vlakken kwaliteit leveren? Nochtans wordt het decretaal van ons verwacht, dat we onze eigen kwaliteit systematisch bewaken en vormgeven.'

Hoe jammer dat ik de tijd niet had om naar die studiedag te gaan, denkt Marc bij zichzelf. Het programma zag er veelbelovend uit, het was een eendaagse vorming over praktijkonderzoek, dataverzameling en interpretatie. Hij zou twee mensen van het team meenemen maar net die dag waren er onvoorziene omstandigheden op school en moest er bijgesprongen worden. Het team heeft net nood aan extra vorming, ze missen de statistische voorkennis om de schoolfeedbackrapporten vlot te kunnen begrijpen. Die zijn trouwens veel te complex opgesteld, vindt Marc. Hij kan hen daar zelf onvoldoende mee helpen. Waarom komen dergelijke zaken niet veel meer aan bod in de opleidingen, vraagt hij zich geërgerd af.

Hij heeft wel al wat zaken uitgeprobeerd. Zo heeft hij het team aan het werk gezet met de PDCA-cirkel. Vol goede moed zijn ze eraan begonnen, maar ze komen nooit echt helemaal tot actie, het blijft meestal bij plannen…

Op de fiets op weg naar huis vraagt Marc zich af hoe andere schooldirecteurs dat doen. Die moeten toch met dezelfde zaken worstelen? Hij overweegt om ondersteuning te vragen van de pedagogische begeleidingsdienst.

Het is gelukt! Marc heeft eindelijk de tijd gevonden om naar een intervisie dag over datagebruik in scholen te gaan. Hij is meer dan ooit overtuigd dat datagebruik een onmisbare tool is om aan schoolontwikkeling te doen.

Hij heeft er een boeiende inkijk gekregen in de materie en gaat naar huis met het gevoel dat hij niet de enige directeur is die worstelt met een beleid rond datagebruik. Dat heeft hem wel een beetje gerustgesteld. Hij heeft zelfs ‘goesting’ om eraan te beginnen. Hij droomt ervan om zijn team op weg te helpen met objectieve instrumenten die de leerwinsten van leerlingen in kaart brengen en die ervoor zullen zorgen dat ze zich kunnen vergelijken met een referentiegroep. Ze gaan het niet graag horen, maar tijdens de intervisie dag heeft Marc ingezien dat er op zijn school soms beslissingen genomen worden op basis van buikgevoel… Maar eerst moet hij ergens de tijd zien te vinden om na te denken over hoe hij dit beleidsmatig gaat aanpakken. Hoe zorgt hij ervoor dat zijn team bereid is om na te denken over de werking? Op welke manier kan hij het team overtuigen van het belang van datagebruik? Zal hij het hele team proberen opleiden of vormt hij een data-team? En hebben ze wel zicht op welke data de school ter beschikking heeft? Marc is trots op zijn team, het zijn harde werkers. Maar met data zijn ze echt niet bezig. Hij kan meteen wel enkele leraren bedenken die niet zullen staan springen om hun eigen datagebruik kritisch te evalueren en hier en daar zit er ook wel een brombeer in het team. Marc besluit dat als hij zelf verwacht van zijn team dat ze een onderzoekende houding aannemen, hij dat zelf in de eerste plaats ook moet doen.

Toen Marc deze ochtend even binnensprong in de klas van juf Ria, zag hij dat ze bezig was met de denkgewoonten aan te leren aan de kinderen. Hij zag de prachtige icoontjes en bedacht plots bij zichzelf dat het net die denkgewoonten zijn die hij bij zijn team wil  wakker maken als ze aan de slag gaan met data! Ze doen hem meteen denken aan de ‘onderzoekende houding’. Tijdens de intervisiedag werd daar nadrukkelijk de aandacht op gevestigd. Het zou een voorwaarde zijn om met data aan de slag te gaan om zo aan kwaliteitsontwikkeling te doen. Hij besluit om het idee te noteren, wie weet kan hij de icoontjes ooit wel eens gebruiken bij de opstart van een vergadering rond data. Of misschien kan hij ze op een gegeven moment wel ophangen in de leraarskamer.

Marc kent zijn team door en door. Hij weet dat elk van hen bereid is om van De Heidevos een nog betere school te maken. Hij wil hen nu overtuigen dat datagebruik daar het geschikte middel voor is. Hij beseft dat het van hem zal moeten komen, dat hij als schoolleider het goede voorbeeld zal moeten geven.

Sinds de intervisiedag is hij informatie beginnen bijhouden. Er verschijnt in Klasse af en toe een artikel over het thema, een leuke cartoon, een geschikte quote,… Hij verzamelt alles in een map in zijn bureau en heeft ook een mapje aangemaakt op de computer. Telkens hij iets vindt dat geschikt kan zijn om de professionele dialoog over de meerwaarde van datagebruik en onderzoeksmatig werken op gang kan brengen, bewaart hij het.

Ondertussen heeft Marc zelf al heel wat literatuur doorgenomen. Hij is aangenaam verrast  dat er toch zoveel te vinden is, ook specifiek voor schoolleiders. Stilaan begint het in zijn hoofd een beetje vorm te krijgen. Als hij wil dat zijn er op De Heidevos een onderzoekende cultuur gaat heersen, dan moet hij daar tijd en ruimte voor creëren. Hij moet erover waken dat hij niet te snel te veel in gang wil zetten, in die val durft hij al wel eens trappen. Marc besluit dat ze over een periode van drie schooljaren een mooi traject moeten kunnen afleggen.

Er wordt op de deur geklopt. Meester Bram komt binnen, vraagt of hij even iets kan overleggen. Marc luistert naar zijn verhaal. Bram legt op tafel dat hij worstelt met twee leerlingen in zijn klas, waarvan hij vermoedt dat ze hoogbegaafd zijn. Hij heeft net een lastig oudergesprek achter de rug waarbij de ouders duidelijk aangaven dat ze van de school meer verwachten. Ze vinden dat hun dochter onvoldoende uitgedaagd wordt en dreigen ermee om van school te veranderen als Bram geen geschikte aanpak kan voorleggen. “Ik kan de ouders geen ongelijk geven”, zegt Bram. “Ik weet dat ik er alles aan doe om mijn dagelijkse aanpak af te stemmen op de noden van de grote middengroep en van de leerlingen die moeilijkheden hebben, ik denk dat ik daar ook in slaag. Maar ik ervaar ook dat ik moeite heb met die leerlingen die sneller leerstof verwerken. Ik geef extra oefeningen, maar verder heb ik het gevoel dat ik hen aan hun lot overlaat. Eerlijk gezegd heb ik echt moeite met het thema hoogbegaafdheid.” 

 

Reeds tijdens het verhaal begint het bij Marc te dagen dat dit een ideale praktijksituatie kan zijn om mee aan de slag te gaan. Hij bedankt Bram voor het gesprek en stelt hem gerust dat hij niet de enige is die moeite heeft om hoogbegaafde kinderen voldoende uit te dagen zonder hen het gevoel te geven dat ze alleen maar ‘meer’ oefeningen moeten doen.  

 

’s Avonds stuurt Marc een mail naar het hele team dat er een nieuw agendapuntje ‘aanpak hoogbegaafdheid’ is toegevoegd voor de volgende vergadering, met een korte schets van de hulpvraag van Bram. 

 

Het is een productieve vergadering geweest. Marc had een reeks vragen voorbereid om een professionele dialoog over het thema hoogbegaafdheid op gang te brengen en hij heeft een tevreden gevoel over het resultaat. Er werd geopperd om hoogbegaafdheid als praktijkprobleem te gaan onderzoeken. Op het eind van de vergadering kreeg iedereen de kans om kenbaar te maken hoe hij of zij stond tegenover dit idee door criteria in een lijst aan te kruisen: 

  • dit praktijkprobleem interesseert mij
  • dit praktijkprobleem leeft bij mijn collega’s op school
  • dit praktijkprobleem is belangrijk voor het verbeteren van het onderwijs aan leerlingen
  • het heeft voor mijn beroepsmatig functioneren prioriteit om me te verdiepen in dit praktijkprobleem
  • het heeft voor de school prioriteit dat ik me verdiep in dit praktijkprobleem
  • door met dit praktijkonderzoek aan de slag te gaan, word ik een betere leraar
  • een onderzoek over dit praktijkprobleem gaat mij het volgende opleveren: …
  • een onderzoek over dit praktijkprobleem gaat de school het volgende opleveren: …
  • er is over dit praktijkprobleem nog weinig bekend hier op school
  • ik kan vanuit mijn eigen rol invloed uitoefenen op de oplossing van het probleem
  • ik voel me niet betrokken bij dit praktijkprobleem

 

bron: boek ‘praktijkonderzoek in de school ' (Cyrilla Van Der Donk en Bas Van Lanen) 

 

De resultaten van deze criterialijst geven Marc interessante info over de betrokkenheid van elk lid van zijn team. Op basis van deze verzamelde informatie besluit hij om enkele collega’s te vragen om deel uit te maken van een kernteam.  

 

Het kernteam is voor de eerste keer samengekomen en brengt verslag uit. Marc heeft heel bewust gekozen om geen deel uit te maken van dit kernteam, hij heeft hen enkel de opdracht gegeven om een brainstormsessie te houden met als startvraag:  

 

‘hoe zouden hoogbegaafde leerlingen of leerlingen die meer uitdaging nodig hebben (en hun ouders) de verbeterpunten van onze school omschrijven?’ 

 

In het verslag leest Marc interessante dingen bij hun vooropgestelde actiepunten: 

 

  • in kaart brengen van aantal hoogbegaafde leerlingen (met attest)
  • in kaart brengen van leerlingen met vermoeden van hoogbegaafdheid
  • enquête bij de ouders
  • verslagen van oudergesprekken screenen
  • literatuur over hoogbegaafdheid bekijken
  • interessante sites over hoogbegaafdheid bekijken
  • navraag doen bij collega’s over specifieke instructies voor hoogbegaafdheid
  • specifiek lesmateriaal ontwerpen voor hoogbegaafde leerlingen
  • hoogbegaafde onderpresteerders opsporen
  • een infoavond over hoogbegaafdheid organiseren

 

Hij mailt het kernteam dat hij het verslag heeft doorgenomen en dat hij hun actiepunten inspirerend vindt. Hij stelt hen voor om systematisch te werk te gaan door eerst een onderzoeksvraag op te stellen (eventueel met deelvragen) en vervolgens een overzicht te maken van alle mogelijke informatiebronnen over dit thema. Van daaruit kunnen ze hun praktijkonderzoek dan verderzetten. Indien ze later gerichte acties kunnen ondernemen op basis van dit praktijkonderzoek en zo aan kwaliteitsontwikkeling doen, dan zijn ze helemaal op de goede weg volgens het OK. Hij sluit de mail af met een motiverend woordje en voegt een bijlage toe met info over het opstellen van een geschikte onderzoeksvraag.  

Het kernteam heeft een update gemaild. Ze zijn tot een opsomming van mogelijke informatiebronnen gekomen en hebben volgende onderzoeksvraag vooropgesteld:  

 

‘Hoe kan de huidige begeleiding van (vermoedelijk) hoogbegaafde leerlingen verbeterd worden?’ 

 

Deelvragen:  

  • wie zijn onze (vermoedelijk) hoogbegaafde leerlingen? (Sander)
  • hoe begeleidt de school (vermoedelijk) hoogbegaafde leerlingen? (Jitske)
  • hoe kunnen we meer inzicht krijgen in de professionele begeleiding van (vermoedelijk) hoogbegaafde leerlingen? (Bram)

 

De drie leden van het kernteam hebben besloten elk één deelvraag voor hun rekening te nemen. Ze maken een nauwkeurige beschrijving van welke onderzoeksactiviteiten ze op welke manier willen uitvoeren en passen dit in een tijdsplanning in.  

 

Verder geven ze nog mee dat ze graag met de betrokken ouders zouden willen communiceren over het aankomende praktijkonderzoek en dat ze de ouders daarbij willen betrekken. 

 

Marc besluit dat het praktijkonderzoek nu kan starten en dat ze kunnen beginnen met het verzamelen van de juiste data. 

Maak jouw eigen website met JouwWeb